Experiment

Het doel van een experiment is dat causale verbanden worden bestudeerd door te kijken of een verandering in één onafhankelijke variabele een verandering in een andere, de afhankelijke variabele veroorzaakt. Het is ook mogelijk om de mate van verandering van twee of meer onafhankelijke variabelen te onderzoeken in een experiment.

Kenmerken experimentenonderzoek:

  1. Minimaal twee groepen (experimentele groep en controle groep)
  2. Proefpersonen worden willekeurig toegedeeld aan een van de twee condities (randomisatie). Hierdoor wordt het nadelige effect op de interne validiteit geminimaliseerd.
  3. De onderzoeker bepaalt hoe de experimentele groep wordt beïnvloed
  4. Het is belangrijk dat er zo weinig mogelijk invloeden van buitenaf zijn
  5. Er is een voorkeur dat de variabelen ook worden gemeten voordat de interventie plaats vindt.

 

Er zijn drie varianten van experimentenonderzoek:

1.Laboratoriumexperiment

Het onderzoek wordt uitgevoerd in een laboratorium in plaats van in het veld. Hierdoor heeft de onderzoeker meer controle over verschillende aspecten van het onderzoeksproces, zoals steekproefkeuze en de context waarin het experiment wordt uitgevoerd. De interne validiteit van het onderzoek verbeterd. Daarentegen is het lastiger om de externe validiteit van het onderzoek vast te stellen.

2. Quasi-experiment

In dit experiment wordt er gebruik van bestaande groepen. Er vindt dus geen randomisatie plaats, maar de groepen zijn wel redelijk vergelijkbaar.

3. Nabootsing

Deze variant gebruikt geen vergelijkbare groepen en is vooral gericht op het verkrijgen inzicht in een bepaald effect van de interventie. Bijvoorbeeld een spelsimulatie. Deze variant is minder kostbaar, tijdrovend en/of riskant. 1

 

1 Mark Saunders, Philip Lewis en Adrian Thornhill (2015). ‘Methoden en technieken van onderzoek (zevende editie). Amsterdam: Pearson Benelux

Sidebar